vrijdag 21 oktober 2011

Week 3 - De verschrikkelijk lange asielprocedure

Wanneer je als vreemdeling in België asiel aanvraagt, vraag je eigenlijk bescherming aan de Belgische staat. De overheid gaat onderzoeken of deze bescherming nodig is. Dat geldt ook voor minderjarigen. Er is een hele procedure om te checken of iemand als vluchteling erkend kan worden of niet. Hier kan je ze lezen.

De procedure kan worden opgesplitst in 2 grote fases: de opstartfase en de onderzoeksfase.


De opstartfase

De asielaanvraag kan gebeuren aan de grens (in de praktijk meestal de luchthaven van Zaventem) bij de douane of bij de Dienst Vreemdelingenzaken in Brussel. In de praktijk zijn het meestal de vreemdelingen die geen papieren bij zich hebben die zich melden aan de grens. De meeste asielzoekers vragen hun asiel aan in Brussel bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Voor hen is het heel belangrijk om zo vroeg mogelijk te komen. Het werkt namelijk met een volgnummer. Wie die dag niet aan de beurt komt, krijgt een uitnodiging mee om de volgende dag terug te komen. Dit overkwam ook Vinny samen met zijn moeder en zijn zus.

“En dan moesten we ons ergens in Brussel inschrijven, en wachten. Er was een heel grote file, allemaal mensen, een lange rij mensen, we hebben drie dagen lang moeten wachten. Het zat altijd vol, we moesten iedere ochtend opnieuw terugkeren en wachten. Toen het onze beurt was, moesten we onze vingerafdrukken laten maken. We hebben twee of drie dagen een huisje gekregen, waar ook andere vluchtelingen waren.” (pp. 188-189)

Bij de Dienst Vreemdelingenzaken wordt de identiteit van de asielzoekers geregistreerd. Er wordt een document opgemaakt met hun geboortedatum, naam en voornaam, nationaliteit, geboorteplaats en reden van vlucht. Dit wordt in het wachtregister geplaatst. Zoals uit de getuigenis van Vinny blijkt worden er vingerafdrukken en foto’s gemaakt om bij in het dossier te plaatsen. De vingerafdrukken dienen vooral om na te gaan of een asielzoeker niet ergens anders al asiel aangevraagd heeft. Daarnaast worden er allerlei test uitgevoerd zoals bijvoorbeeld een röntgenfoto van de longen om te kijken of de asielzoeker geen tuberculose heeft. Bij deze tests kan voor vrouwen bijvoorbeeld ook een zwangerschapstest horen. Op die manier is Isabella uit Brazilië te weten gekomen dat ze zwanger was van haar doodgeschoten vriend.

In het geval van een niet-begeleide minderjarige vluchteling wordt de Voogdijdienst op de hoogte gebracht door de Dienst Vreemdelingenzaken. Waarom dat gebeurt kan je lezen bij de opvang.

De Dienst Vreemdelingenzaken gaat nagaan of België bevoegd is om de asielaanvraag te behalen. De regels staan in de Dublinverordening. Indien je de regels wil lezen kan je ze hier vinden. Als het om een minderjarige asielzoeker gaat, zal die niet uitgewezen worden aan de hand van deze criteria. Een kind moet altijd bescherming en onderwijs van de Belgische staat krijgen tot het 18 is.


De onderzoeksfase

Wanneer beslist werd dat België bevoegd is voor de asielaanvraag, wordt de onderzoeksfase opgestart. In deze fase wordt onderzocht of de asielzoeker vluchteling is volgens de definitie van de Conventie van Genève. Volgens de Conventie van Genève is een vluchteling: "elke persoon die zich buiten het land waarvan hij de nationaliteit heeft of, indien hij geen nationaliteit heeft, buiten zijn land van herkomst bevindt, en die de bescherming van dat land niet kan of wil inroepen omdat hij vreest voor vervolging omwille van zijn ras, zijn religie, zijn nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep, of zijn politieke overtuiging".

Om te kunnen nagaan of iemand effectief aan die definitie voldoet en of het verhaal van de asielzoeker klopt, worden interviews afgenomen met de asielzoeker door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatloze (CGVS). Het is verplicht om de asielzoeker minstens 1 keer op te roepen voor een gesprek. De meeste asielzoekers moeten meerdere keren op gesprek komen. Hier moeten de asielzoekers vertellen wat er gebeurd is en waarom zij gevlucht zijn. Zij moeten bewijzen dat vluchten nodig was aan de hand van bewijsstukken. Dat is uiteraard niet altijd even eenvoudig gezien de asielzoekers alles hebben moeten achterlaten. Daarom zijn materiële bewijzen gelukkig niet absoluut noodzakelijk. Een asielzoeker die geen materiële bewijsstukken heeft zoals bijvoorbeeld paspoort of geboorteakte en daarvoor aan goede uitleg heeft, kan evengoed bewijzen dat hij vluchteling is. Belangrijk is wel dat hun verhaal steeds hetzelfde blijft. Er wordt namelijk gecheckt of het verhaal van de asielzoeker waar is. Om ervoor te zorgen dat haar verhaal altijd klopt houdt Gyselinde uit Angola zelfs een schriftje bij. Daar vertelt ze het volgende over:

“Ja, ik houd een schriftje bij. Ik zoek het even. Ik schrijf alles op, om niets te vergeten. Ik wil alles onthouden om later de mensen te kunnen vertellen hoe het ons vergaan is. Ook voor de procedure is het belangrijk dat je alles nog weet. Altijd weer moeten we ons alles kunnen herinneren. Het verhaal moet telkens weer kloppen, altijd hetzelfde zijn. Daarom schrijf ik alles op. We zijn bang dat wat we vertellen niet zal kloppen. Onze advocaat en onze voogden zeggen het altijd weer: Jullie verhaal moet kloppen. De tweede keer moet het verhaal hetzelfde zijn als de eerste keer. Dat herhalen ze altijd. We waren zo bang dat we niet hetzelfde verhaal zouden vertellen, dat ze zouden zeggen: ‘Jullie, jullie zijn geen echte vluchtelingen.’” (pp. 24-25)


De beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CVGS)

Na het onderzoek neemt het Commissariaat-Generaal een beslissing of je als vluchteling erkend wordt. De beslissing wordt per brief meegedeeld. Er zijn 3 beslissingen mogelijk: de asielzoeker wordt erkend als vluchteling, de asielzoeker krijgt het subsidiaire beschermingsstatus of de asielzoeker wordt niet erkend en krijgt ook niet de subsidiaire beschermingsstatus.

Indien de asielzoeker als vluchteling erkend wordt mag hij gewoon in België blijven.

Wanneer de asielzoeker niet erkend wordt als vluchteling, maar wel de subsidiaire beschermingsstatus krijgt, mag hij voor beperkte tijd in België blijven. Zij krijgen een verblijfsvergunning van de gemeente voor 1 jaar. De verblijfsvergunning kan jaarlijks verlengd worden. Na 5 jaar wordt dit een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur.

Wanneer de asielzoeker niet erkend wordt als vluchteling en ook niet de subsidiaire beschermingsstatus krijgt, moet hij in principe het land verlaten. Tegen deze uitspraak kan in beroep gegaan worden. De asielzoeker heeft 30 dagen tijd om beroep aan te tekenen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.


Bronnen:

MORTIER, E. en BLANCQUAERT, L., Niemand weet dat ik mens ben, Minderjarige vluchtelingen en hun verhaal, De Bezige Bij, Amsterdam, 2010.

VLIEGHE, S., Vluchtweg, derde bijdruk, uitgeverij Van In, Wommelgem, 2007.

ROSIUS, H., Een wereld vol vluchtelingen, niet-gepubliceerde cursus, Provinciale Hogeschool Limburg, Hasselt, 2007.

VAN DEN BULCK, D., De asielprocedure in België, Informatie voor asielzoekers, brochure, Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, Brussel, 2008.

FEDASIL, Asielprocedure, internet, 2011, (http://www.fedasil.be/home/procedure).

FEDASIL, Asieltraject, internet, 2011, (http://www.fedasil.be/nl/home/traject).

KRUISPUNT MIGRATIE EN INTEGRATIE, Verblijfsstatuten, internet, 2011, (http://www.kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/wegwijs.aspx?id=245).

KRUISPUNT MIGRATIE EN INTEGRATIE, Opstartfase, internet, 2011, (http://www.kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/wegwijs.aspx?id=246#dublin).

KRUISPUNT MIGRATIE EN INTEGRATIE, Onderzoeksfase bij het CGVS, internet, 2011, (http://www.kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/wegwijs.aspx?id=248).

COMMISSARIAAT-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN, De asielprocedure in de praktijk, internet, 2010, (http://www.cgra.be/nl/Asielprocedure_in_de_praktijk/).

VLUCHTELINGENWERK VLAANDEREN, Hoe verloopt de asielprocedure, internet, 21 oktober 2011, (http://www.vluchtelingenwerk.be/thema/asielprocedure.php).

VLUCHTELINGENWERK VLAANDEREN, Wat is de Conventie van Dublin?, internet, 21 oktober 2011, (http://www.vluchtelingenwerk.be/thema/faq_question.php?id=7&th=asiel).

woensdag 19 oktober 2011

Week 3 - De opvang

De laatste jaren vluchten steeds meer kinderen en jongeren alleen naar Europa. Deze kinderen en jongeren hebben omwille van hun jonge leeftijd, grote nood aan gepaste opvang, begeleiding en bescherming. In 2004 werd er een definitie gemaakt voor niet-begeleide minderjarige vluchteling.

“Een niet-begeleide minderjarige is een persoon van minder dan 18 jaar oud, die niet begeleid is door zijn ouders of zijn voogd, die onderdaan is van een land dat geen lid is van de Europese Economische ruimte en die ofwel asiel heeft aangevraagd ofwel in illegaal verblijf is.”


Voogdijdienst

Wanneer niet-begeleide minderjarige vluchtelingen in contact komen met de Dienst Vreemdelingenzaken of de politie, wordt de Voogdijdienst op de hoogte gebracht. Deze dienst is verantwoordelijk voor de identificatie van de jongere, ze moet zorgen dat de kinderen meteen opvang krijgen en zij wijzen de jongere een voogd toe. Sinds 2004 moeten alle niet-begeleide jongeren namelijk een voogd hebben. De voogd moet hen helpen bij het indienen van een asielaanvraag, het zoeken naar een advocaat en het vinden van een geschikte school. De voogd wordt eigenlijk ook een beetje een vertrouwenspersoon en heeft ook een begeleidende functie. De voogd kan de jongere helpen door bijvoorbeeld een luisterend oor te bieden. Van een voogd wordt verwacht dat hij minstens 2 à 3 keer per maand bij de jongere op bezoek gaat.

Er is een groot gebrek aan voogden, ook al is een voogd verplicht. Er zijn 2 soorten voogden: de vrijwillige voogd en de professionele voogd. Er zijn veel professionele voogden gezien er te weinig vrijwillige voogden zich aanbieden. De professionele voogden hebben vaak een heleboel kinderen onder hun hoede waardoor zij minder begeleiding kunnen bieden dan vrijwillige voogden. Als je voogd wil worden krijg je een opleiding van 4 dagen waarin je een overzicht krijgt van alle instanties die met vluchtelingenbeleid te maken hebben, je leert over de opvangmogelijkheden en over de rechten van het kind. Het is niet verplicht dat een voogd de Belgische nationaliteit heeft.


Observatie- en oriëntatiecentrum

De eerste opvang van een minderjarige niet-begeleide vluchteling gebeurt in een observatie- en oriëntatiecentrum. Fedasil heeft zo 2 centra: in Steenokkerzeel en Neder-over-Heembeek. Beide centra hebben 50 plaatsen. De opvang in het observatie- en oriëntatiecentrum heeft eigenlijk 2 doelstellingen. Ten eerste wil men te weten komen of de jongere inderdaad niet begeleid en minderjarig is. Ten tweede maakt men in het OOC een eerste medische, psychologische en sociale profielschets van de jongere. Dit doet men via observatie. De bedoeling hiervan is om te bepalen hoe de jongere best opgevangen kan worden en welke ondersteuning hij of zij nodig heeft. Dit is de oriëntatie. De jongeren verblijven 2 tot 4 weken in dit centrum.


Aangepaste opvang

Zoals daarnet gezegd, gaat men de jongere dan opvang op maat geven. De jongere kan bijvoorbeeld ondergebracht worden bij vrienden en familie, in een pleeggezin of in een opvangcentrum. De meeste jongeren komen terecht in een opvangcentrum. De jongeren worden daar opgevangen in aparte structuren. Ze zitten in leefgroepen die elk hun eigen team van begeleiders, opvoeders en indien nodig psychologen hebben. De jongeren die geïnterviewd werden voor het boek vertellen dat het leven in zo’n opvangcentrum niet makkelijk is. In een asielcentrum leef je namelijk met veel mensen samen uit allerlei verschillende landen. Iedereen heeft zijn eigen taal en cultuur. Je leeft in groepen, dus je hebt geen privacy. Bovendien hebben de jongeren er het moeilijk mee dat zij steeds moeten verhuizen. Ze vinden zo niet snel een thuis en hebben de neiging enkel zichzelf te vertrouwen. Ze willen zich niet hechten omdat je maar nooit weet hoelang je mag blijven.

Gyselinde uit Angola vertelt het volgende over het leven van haar en haar zussen in het opvangcentrum in Sint-Truiden:

Sint-Truiden is een heel groot opvangcentrum. We hebben er één jaar gewoond. Het was een open huis. We konden naar buiten en alles doen wat we wilden, maar we moesten ’s avonds wel op tijd weer binnen zijn. Er werd daar niet zo goed voor ons gezorgd. Het was er te groot, er waren veel te veel mensen, zo veel verschillende mensen. als we ziek waren konden de begeleiders ons niet altijd helpen. We moesten zelf naar de dokter gaan en alles oplossen. We liepen er verloren. We hadden geen thuis. De toiletten waren altijd vies. Het eten was nooit op tijd klaar, maar we moeten het eten zoals het op tafel kwam. We hadden daar vaak ruzie met de andere mensen. we hadden daar een vriendin, maar die maakte over alles problemen. Ze maakte problemen over haar kamer, over de douches. Over alles. Het was er moeilijk leven. Toen zijn we naar Ieper overgebracht, naar weer een ander opvangcentrum. Eerst waren we er angstig, we hadden stress. We hadden al zo veel keer moeten verhuizen. We lachten niet meer. Ik was heel ernstig in die tijd. Ik vertrouwde nog maar weinig mensen. Ik voelde me verantwoordelijk voor mijn zussen. (pp. 21-26)

Uiteraard moeten de jongeren ook naar school gaan in België. Eerst gaan zij naar opvangklas voor anderstalige nieuwkomers (OKAN). Hier krijgen zij intensieve taaltraining en worden ze voorbereid op het gewone onderwijs. De leerlingen zitten niet per leeftijd, maar per niveau samen. Het is de bedoeling dat de kinderen 1 jaar in deze OKAN-klas zit en daarna doorstroomt naar het gewone onderwijs.

Indien je een les zou moeten geven over vluchtelingen is dit filmpje zeer bruikbaar. Het gaat over waar vluchtelingen vandaan komen en vooral over het leven in een opvangcentrum. Zo kunnen leerlingen met hun eigen ogen aanzien dat het leven in een opvangcentrum toch niet zo makkelijk is dan dat zijn misschien denken.



Andere opvangmogelijkheden

Na 4 tot 12 maanden zijn er ook andere opvangmogelijkheden. De jongere kan in het opvangcentrum blijven, maar opvang bij bijvoorbeeld vrienden, familie, een pleeggezin of anderen zijn mogelijk. Rana komt bijvoorbeeld in een begeleidingshuis voor kinderen uit moeilijke gezinnen terecht. Vinny heeft bij een pleeggezin gewoond. Xiartdaa woont momenteel in een pleeggezin. Voor jongeren tussen 17 en 18 is begeleid zelfstandig wonen mogelijk.


Einde van het opvangtraject

Tot zijn 18e mag een niet-begeleide minderjarige vluchteling niet uitgewezen worden, ongeacht het feit of hij wel of niet asiel heeft aangevraagd. Als hij voor zijn 18e erkend wordt als vluchteling of een ander verblijfsstatuut krijgt, dan heeft hij recht op financiële steun van een OCMW. Als de jongere 18 wordt en er is nog geen beslissing over zijn asielaanvraag, gaat hij naar een opvangstructuur voor volwassen asielzoekers. Als de jongere 18 wordt en geen verblijfsvergunning meer bezit, moet hij het opvangnetwerk verlaten.




Bronnen

VLUCHTELINGENWERK VLAANDEREN, De opvang van niet-begeleide minderjarigen, internet, 19 oktober 2011, (http://www.vluchtelingenwerk.be/thema/opvang_nbm.php).

VLUCHTELINGENWERK VLAANDEREN, Jonge vreemdelingen en vluchtelingen, internet, 19 oktober 2011, (http://www.vluchtelingenwerk.be/thema/jonge_vluchtelingen.php).

FEDASIL, Minderjarigen, internet, 2011, (http://www.fedasil.be/home/minors).

FEDASIL, Het traject van niet-begeleide buitenlandse minderjarige, internet, 2011, (http://www.fedasil.be/nl/home/nbbmtour).

VLUCHTELINGENWERK VLAANDEREN, De voogdijregelingen, internet, 19 oktober 2011, (http://www.vluchtelingenwerk.be/thema/voogdijregeling.php).

KRUISPUNT MIGRATIE-INTEGRATIE, OCMW en Opvang, Niet-begeleide minderjarigen, internet, (19 oktober 2011), (http://www.kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/wegwijs.aspx?id=330).

KRUISPUNT MIGRATIE-INTEGRATIE, Opvang van asielzoekers, Asielzoekers in procedure, internet, (19 oktober 2011), (http://www.kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/wegwijs.aspx?id=292).